UNESCO-werelderfgoed Van Nelle Fabriek
ons mailadres | info@vannellewerelderfgoed.nl
ROTTERDAMSE CONTEXT

 

 

 

 

ROTTERDAMS MODERNISME

  

 

 

 

 

 

 

 

 

NL

Hieronder een beschrijving wat met die Rotterdamse School nu precies bedoeld wordt. Is het daadwerkelijk een school of een stijl, een geesteshouding? Hier kunt u lezen, dat het in dit geval zelfs beide is!


E 

'Rotterdam School' – Explanation of an ambiguous concept

On one hand figurative: the Rotterdam Modernists with simular backgrounds and motivation, such as architects, designers, urban planners, painters, sculptors, glass-artists, philanthropists, etc. On the other hand literally an1773 founded institution for education: the Academie voor Beeldende Kunsten & Technische Wetenschappen (Rotterdam Academy for Expressive Arts & Engineering Sciences).


 D 

'Rotterdamer Schule'. Beschreibung dieses 'doppeldeutigen' Begriffs. Einerseits bildlich die Rotterdamer Moderne (mit seinen Architekten, Maler, Bildhauer, Glaskünstler, (Industrie-)designer, Typografen, Fotografen, Städteplaner, usw.
Anderseits buchstäblich eine Institution für Unterricht: die Rotterdamer Akademie für Bildende Künste & Technische Gestaltung.


De Rotterdamse School en de Nederlandse concurrentie

Het voert te ver, om hier de geschiedenis van het Modernisme in zijn geheel uit de doeken te doen. Door middel van links binnen de diverse teksten streven wij ernaar, dat u zich tenminste een eerste beeld zult kunnen vormen.

Het Nieuwe Bouwen was, net als de Nieuwe Zakelijheid op het gebied van vormgeving (waarbij de grenzen tussen deze twee begrippen niet altijd te exact definiëren zijn...), maar een onderdeel van deze bredere, internationale stroming.

Een geesteshouding, die naast architectuur en vormgeving aspecten als kunst, literatuur, poëzie en muziek omvat. Intellectuelen en cultuurdragers proberen vat te krijgen op de fundamentele sociaal-maatschappelijke ontwikkelingen van die tijd.

Kenmerk van Het Nieuwe Bouwen is, dat het geen stijl beoogde te zijn, omdat het juist een einde wilde maken aan historische stijlen. Een gebouw moet een technisch, economisch en functioneel antwoord zijn op een opgave. Een representatief uiterlijk is geen doel op zich meer. 

   

Voorbeelden

 

Amsterdamse School

Rotterdam is in ons land tussen de wereldoorlogen de bakermat van het Nieuwe Bouwen. In minder dynamische steden en op het platteland hebben lokale schoonheidscommissies weinig op met moderne architectuur. Zij tonen voorkeur voor traditionele vormen en materialen. 

Nieuwe Bouwen vs. Delftse School: een wereld van verschil...

Tegenpolen voor Het Nieuwe Bouwen zijn de Amsterdamse School:  veel baksteen, versieringen in de gevels, kleine vensters en bekroond met steile daken en soms met torentjes. En zeker de Delftse school, die als zijnde zeer tradionalistisch wars is van verandering. Niet die van de Amsterdamse School en al helemaal niet die van Het Nieuwe Bouwen.

Binnen de faculteit Bouwkunde van de Technische Hogeschool in Delft zal dit jarenlang leiden tot een ware stammenstrijd: 'platte daken versus puntdaken'....

UIteindelijk zal dit traditionalistische bastion doorbroken worden door nieuwe hoogleraren als de Rotterdamse architect Jo van den Broek en de aan de Rotterdamse Academie voor Beeldende Kunsten & Technische Wetenschappen opgeleide Cornelis van Eesteren. Met op de achtergrond de stuwende kracht van de geestelijk vader van de Van Nelle-fabriek Kees van der Leeuw. Mogelijk gemaakt vanuit diens nieuwe functie als curator van de faculteit Bouwkunde.

Hiermee zal ook de al in 1933 namens de Groep van Delft uitgesproken wens van student Henk Jan Brusse (telg van een progressieve Rotterdamse uitgeversfamilie) in zijn rede 'Wat wij willen' in vervulling gaan. Zo'n vijftien jaar later... Een ander lid van de Groep van Delft is Rotterdammer Joost Boks, aankomend architect, later ontwerper van modernistische gebouwen, zoals hotels in Vlissingen en Vlaardingen.

   

Voorbeelden

 

Delftse School

In het snel groeiende industriële conglomeraat Rotterdam heerst echter veel meer een mening als 'een functioneel gebouw is een mooi gebouw'. Zoals een nieuwe graansilo of havenkraan mooi kan zijn, zeker als die goed functioneert.

Internationale zoektocht

Zoals als elders in deze website beschreven, was de internationale sociaal-maatschappelijke ontwikkeling een reactie op de donkere onderstromen van de industriële Revolutie, maar ook op de al maar uitdijende vormentaal in design en kunst (Arts & Crafts, Art Nouveau, Jugendstil). Die reactie nam bij tijd en wijle een polemisch karakter aan.

Zo verkondigde 1910 de vooraanstaande Weense archtitect Adolf Loos in een lezing, genaamd 'Ornament und Verbrechen' (Ornament & Misdaad!): "Ornamentlosichkeit ist Zeichen geistiger Kraft". (Zeer) vrij vertaald: "minder is meer".

De internationale zoektocht naar een nieuwe, menselijker samenleving, leidde tot uiteenlopende stromingen, zoals binnen de schilderkunst het surrealisme, expressionisme, kubisme of fauvisme. Belangrijke Nederlandse vertegenwoordigers van deze stijlen, zijn de aan de Rotterdamse Academie opgeleide Willem de Kooning, Kees van Dongen en Henk Chabot.

Ook Nederlands bekendste beeldhouwer van voor de Tweede Wereldoorlog was mede aan de Academie (1905-1910) opgeleid: John Rädecker. In 1926 is hij een van de oprichters van De Brug, een vereniging van gelijkgestemde kunstenaars, die als doel hebben in ons land de Nieuwe Zakelijkheid binnen de schilderkunst te bevorderen.

Twee van zijn werken zijn te zien in Museum Huis Sonneveld (naast de Van Nelle-fabriek een schoolvoorbeeld van Rotterdams Modernisme in de architectuur: Het Nieuwe Bouwen).

   

Rädecker: Bronzen Masker in Huis Sonneveld. Volgens overlevering binnen de familie en hun kennissen was dit een gestyleerde beeltenis van het gezicht van dochter Gé Sonneveld

 

Räcecker: Leeuw (1925). replica, het origineel is in bezit van familie van Bertus en Gesine Sonneveld.

 Dada, in 1916 ontstaan in Zürich, was een stroming die ‘anti-kunst’ voorstond. Uit woede tegen een maatschappij die de gruwelen van de Eerste Wereldoorlog op haar geweten had, besloten  jonge kunstenaars de kunst ‘op te blazen’. De Duitse kunstenaar Kurt Schwitters en De Stijl-mede oprichter Theo van Doesburg speelden een belangrijke rol. Rotterdammers daarentegen niet, hoewel men in het Rotterdamse er wel mee bezig is.

Zoals ontwerper Willem Gispen ooit over de Rotterdamsche Kring - een genootschap van vooraanstaande Rotterdammers van diverse pluimage, dat zich uiteenzet met relevante problemen en ontwikkelingen in die tijd - zal opmerken:

"Ik waardeer dat er altijd zo gul gastvrijheid wordt geboden aan de nog niet bekenden, aan gevaarlijke nieuwlichters, geestelijke oproerkraaiers, futuristen, dadaïsten, filmmaniakken, moderne architecten; dat er een geest van onbekrompenheid heerscht, die stellig de afspiegeling is van den geest van de oprichters: mr. R. Mees en mevr. E. Mees-Havelaar."

Dit genootschap was één van de vliegwielen (naast de Academie, Club Rotterdam, Opbouw en OPRO) voor dat toonaangevende Rotterdamse Modernisme, met als meest zichtbare componenten Het Nieuwe Bouwen en het uitgevoerde, wederopbouwplan: Plan van Traa

Theo van Doesburg: Dada in Dessau, 1921

Het Bauhaus in het Duitse Dessau zocht vanuit andere invalshoeken ook wegen om via theater de rol van de nieuwe mens in de nieuwe technologische wereld uit te beelden. Recentelijk heeft men met de manifestatie 'mensch raum maschine' in het Bauhaus daar aandacht aan besteed.

Terzijde: een detail, dat de toenmalige experimenteerdrift mede symboliseert, is in de naam van deze manifestatie te zien: het consequent niet gebruiken van hoofdletters. NIet functioneel. Ook Walter Gropius in zijn correspondentie met Kees Van der Leeuw laat hoofdletters consequent achterwege. Getuige een humoristische beschrijving 'De Rotterdamsche Kring 1913-1942' door chroniqueur J.E. Pot, hield het vermijden van hoofdletters ook Willem Gispen bezig:

'Het drukwerk, waarmee hetgeen geboden ging worden werd aangekondigd aan de leden, had al jaren iets zeer verzorgds. Toen dit drukwerk op een gegeven moment zonder hoofdletters kwam verschijnen, maakte dit een aantal leden toch aanvankelijk lichtelijk nerveus; doch deze kwamen weldra weer tot rust, toen hun bleek, dat geen andere gedachte aan dat niet gebruiken van hoofdletters ten grondslag lag, dan het inzicht, dat geen letters van ongelijksoortige alfabetten door elkaar behoorden te worden gebruikt. Het was Gispen, die hier de hand in had en wat hij er voortaan van maakte, was boeiend in z'n grote verscheidenheid en vindingrijkheid.'

De eerder genoemde 'Groep van Delft' hield zich in 1928 in ons land bezig met dezelfde materie als Walter Gropius, Oskar Schlemmer en Laszlo Moholy-Nagy vanaf 1921 deden in Dessau. Of de Weense regisseur Fritz Lang 1927 met zijn epische, expressionistische film Metropolis in Berlijn. Met medewerking van bekende kunstenaars als acteur Albert van Dalsum (regisseur van het spektakel) en cineast Joris Ivens organiseerden medio 1928 deze progressieve Delftse studenten 'Mensch en Machine', een avantgardistische voorstelling met een enorm, bewegend decor en met medewerking van tientallen studenten op het toneel.

Arnold Schönberg - ondersteund door Zemlinsky en Berg - zal in Wenen en Berlijn met zijn 12-toons muziek trachten de klassieke compositiemethode voor muziek te doorbreken. Hoewel geen volgeling, was in ons land Willem Pijper een belangrijk vernieuwer. Het zal ook wel niet geheel toevallig zijn, dat hij in 1930 directeur van het Rotterdams Conservatorium werd.

Het Nieuwe Zien

Op het gebied van fotografie en filmkunst werd eveneens naar vernieuwing gestreefd, hierbij speelde in 1929 de Werkbund-tentoonstelling in Stuttgart 'Film und Foto - Neues Sehen' een grote rol. Binnen deze Nieuwe Fotografie speelden Russische constructivisten, Bauhaus-fotograaf Moholy-Nagy maar ook de Amerikaanse modernist Man Ray en een leraar geschiedenis van de stijl- en ornamentleer aan de Academie, Piet Zwart, een belangrijke rol.. 

Het Nieuwe Zien: Moholy-Nagy vanaf de Funkturm Berlijn, 1928

Zwart, mede-docent Gerard Kiljan (1920-1935) en een leerling van de Academie, Paul Schuitema, speelden in ons land naast de Nieuwe Fotografie ook een belangrijke rol bij de Nieuwe Typografie. Zij zochten nieuwe wegen (zoals met de aan Bauhaus verwante, schreefloze letters) op het gebied van reclame, zoals Schuitema met zijn brochures voor Rotterdamse bedrijven. Een mooi voorbeeld uit 1932 is catalogus Nr. 50 voor het bedrijf van een andere leerling van de Academie: Willem Gispen.

Een geestverwant van Zwart en Schuitema was ook al een voormalig student: Jan Kamman. Vanaf 1937 zal hij docent fotografie worden. Al in 1925 had hij zich als fotograaf met eigen studio in Schiedam gevestigd.  Ook Jan Kamman zal een belangrijke rol spelen binnen de Nederlandse Nieuwe Fotografie en veel experimentern met dubbeldrukken, composities van diverse negatieven over elkaar heen afgedrukt. Ook hij zal met Gispen samenwerken. Daarnaast was Kamman de 'hoffotgraaf' van architectenbureau Brinkman & Van der Vlugt, Na zijn belangrijke inbreng in de Nieuwe Fotografie zal hij zich na de oorlog gaandeweg meer toeleggen op de schilderkunst, waarvoor hij oorspronkelijk ook opgeleid was.

Schuitema werd net zoals bijvoorbeeld Leen van der Vlugt opgeleid door de invloedrijke hoofddocent Bouwkunde: Rotterdammer Willem Kromhout.

Een andere docent bouwkunde aan de Academie, waar hij eerder zelf gestudeerd had, was architect Albertus Otten. Deze heeft in de jaren dertig bijgedragen aan Modernistische woning- en stedenbouw in Rotterdam, zoals het Centraal Plan Blijdorp, nu Rijksmonument en beschermd stadsgezicht.

Schuitema was overigens ook de drijvende kracht achter D3, een Rotterdamse fabrikant van ontwerpen voor geavanceerde stalen buismeubelen. Hij werkte hier samen met de ongeveer even oude ontwerper Arie Verbeek, mede-leerling van de Academie. Hun meubelen waren destijds bijna net zo populair als de soortgelijke meubelen van Gispen. Helaas heeft deze fabriek maar van 1932-1935 bestaan, maar is desondanks - net als Gispen - legendarisch geworden. Tegenwoordig beleeft D3 een bescheiden revival.

Een andere toonaangevende vormgever binnen deze Nieuwe Typografie was Jac Jongert, hoofddocent Decoratieve kunsten en Kunstnijverheid van de Academie. Daarnaast, in zijn functie als hoofd van de reclameafdeling van Van Nelle, droeg hij de verantwoording voor de baanbrekende visual identity van deze pionier op het gebied van machinaal verpakte koffie, thee en tabak.

   

Gispen/Schuitema

 

Van Nelle/Jac Jongert

Schilder/Ontwerper Pieter den Besten, ook hij had zijn opleiding aan de Academie gekregen, maakte later deel uit van die reclame-afdeling van Van Nelle. Binnen deze kunstuitingen waren pragmatische overwegingen minder belangrijk. Veelal trachtten de kunstenaars de beschouwer te verrassen en zijn verwachtingspatroon te doorbreken, om hem/haar zo aan het denken te zetten.

Den Besten speelde ook een belangrijke rol bij de interieurontwerpen van wat in de jaren twintig de mooiste bioscoop van Europa genoemd wordt: Theater Tuschinski in Amsterdam. Samen met andere Rotterdamse ontwerpers en kunstenaars als Willem Kromhout, Jaap Gidding en Dirk Jan van der Laan ontwerpen en schilderen zij aan het spraakmakende Art Déco-interieur.

Art Déco is niet per definititie een Modernistische stroming, maar heeft er raakvlakken mee. De tradionalistische Art Déco grijpt terug op het (zoals hierbovenal  te lezen was) door Modernisten afgezworen Art Nouveau. De progressieve tak daarentegen kenmerkt zich door zich te richten op stromingen als het kubisme, surrealisme en expressionisme alsmede door het gebruik van moderne materialen als aluminium en verchroomd stalen-buis. Toch overheerst de vorm vaker de functie dan andersom.

Samenwerkingsverbanden als bij Tuschinski kwamen vaker voor, zo werktenaan het interieur van het ss 'Nieuw Amsterdam' veel Academie-kunstenaars: Pieter den Besten, Leendert Bolle, Agnes Canta, Jozef Cantré, Henk Chabot, Andries Copier, Jaap Gidding, Willem Gispen, Syboldt van Ravesteijn, Marius Richters en Lode Sengers,

Aan het G.J. de Jonghmonument werkten Leendert Bolle, Jaap Gidding en Henk Chabot samen.

Kunst en techniek - een nieuwe eenheid

Op het gebied van vormgeving, architectuur en stedenbouw speelden echter hele andere aspecten een rol. Pionier op het gebied van vormgeving was bijvoorbeeld de Deutsche Werkbund, die streefden naar een verbetering van het kunstnijverheidsonderwijs en een kwaliteitsverhoging van machinaal vervaardigde gebruiksartikelen. Veel meer dan de eerdere Arts & Crafts-beweging stonden zij open voor het machinaal vervaardigen van massa-producten. Zij streefden er juist naar om hechtere banden te smeden tussen de kunst en industrie om zo de kwaliteit van de productie te verhogen.

Zoals de nooit om commentaar verlegen zittende Gispen het ooit omschreef

"Een kunstnijvere maakt niet het ding om het ding, maar wil altijd laten zien, hoe knap hij is en hoe rijk zijn fantasie. Kunstnijverheid is een besmettelijke ziekte, zoiets als griep, maar dan erger. De genezing komt met het opengaan der ogen voor de schoonheid van lijn en verhouding der eenvoudige fabrieksproducten."

Een prachtig voorbeeld van een ontwerper - naast Willem Gispen zelf - die de schoonheid van lijn en verhouding der eenvoudige fabrieksproducten perfect in de praktijk wist te brengen, was de ook al bij de Academie door Jac Jongert opgeleide Andries Copier. Zijn 'Gilde Glas'-lijn is vanaf 1930 onafgebroken in productie! 

 Andries Copier: Gilde Glasservies (1930)

De rol in het C.I.A.M.

Een van de meest invloedrijke stedenbouwkundigen van de twintigste eeuw was ook al aan de Academie opgeleid. Architect Cornelis van Eesteren was van 1930-1947 voorzitter van het Congrès Internationaux d'Architecture Moderne ( CIAM) Dit was een internationaal platform, dat decennialang een grote stempel heeft gedrukt op het internationale architectuur-, volkshuisvestings- en stedenbouwdebat

Van Eesteren werd 1948 door Kees van der Leeuw, dan curator van de faculteit, aangesteld als hoogleraar aan de faculteit bouwkunde van de Technische Hogeschool Delft. Niet in de laatste plaats vanwege zijn cruciale bijdrage op het gebied van de stedelijke mobiliteit aan het wederopbouwplan van Rotterdam.

Opgericht in het Zwitserse La Sarraz schaarden de CIAM-deelnemers zich om uitgangspunten als:

'bouwen geldt als een verplichting ten opzichte van de gemeenschap - de architect moet zich een kind van deze tijd tonen en geen klassieke elementen inbrengen - standaardisering en internationalisering zijn gewenst - de architect dient het ontwerp eenvoudig te houden, zodat er minder specialisten bij de bouw nodig zijn - architecten moeten zich richten op nieuwe materialen, constructie-, productietechnieken - etc.'

De functionele stad was een door hen gepropageerd uitgangspunt: de functies wonen, werken, cultuur en natuur/recreatie dienen gescheiden te zijn. De planning van de daarmee gepaard gaande toename van het verkeer is een wezenlijk onderdeel van deze uitganspunten. Een en ander werd tijdens het meest bekende congres van het CIAM vastgesteld, het vierde congres van 1933 in Athene. 

Van Eestern (l) en Le Corbusier (r) in Bergamo tijdens het 7e CIAM (1947)

Hier ontwikkelde men de uitgangspunten uit 1928 verder

'stedebouw is de optelsom van de collectieve functies, niet esthetisch maar functioneel bepaald: wonen, werken, verkeer en recreatie - mensen moeten worden opgevoed met goede architectuur - mensen moet doordrongen zijn van het gezondheidsideaal licht, lucht, ruimte en hygiëne'.

Deze baanbrekende bijeenkomst werd voorbereid door onder andere het Rotterdamse architectengenootschap 'De Opbouw' en telde naast deelnemers uit eigen land architecten uit Frankrijk, Groot-Brittanië  Zwitserland, Duitsland, België, Italië, Spanje, Griekenland, Finland, Denemarken, Noorwegen, Polen, Tsjechoslowakije, Joegoslavië, Brazilië en Canada. In het kader van de voorbereidingen werd de Van Nelle-fabriek bezocht.

De definitieve publicatie van dat Charter d'Athenes - het handvest van Athene - werd verzorgd door Le Corbusier. Later zullen de dogmatische uitgangspunten - door interventie van onder andere de in Rotterdam werkzame architect Jaap Bakema - 'verzacht' worden. Het puur technocratische karakter werd ondergeschikt aan een meer menselijke invalshoek. Deze volgende generatie architecten (ook dit een internationaal gezelschap) rond Jaap Bakema opereerden onder de naam 'Team X'.

De werderopbouw- en uitbreidingsplannen van het moderne Rotterdam van na de Tweede Wereldoorlog, maar ook de uitbreidingsplannen van de Westelijke Tuinsteden in Amsterdam, waren gebaseerd op deze uitgangspunten.

De vanaf 1956 ontworpen, nieuwe hoofdstad van Brazilië - Brasilia - zijn functionalistische ideeën van het CIAM in de praktijk omgezet. 

   

Brasilia (1960)

 

Brasilia (1960)

Een ander bekend congres was het tweede, 1930 in Frankfurt. Onder het motto 'De woning voor het bestaansminimum' hield men zich bezig met het alom aanwezige gebrek van voor de arbeider betaalbare, hygiënische woningen in een prettige leefomgeving, en hoe dit probleem door middel van massaproductie en standaardisatie op te gaan lossen.

De bij de Rotterdamse bureaus Grandpré Molière, Kok & Verhagen (Tuindorp Vreewijk) en bij Brinkman & van der Vlugt (Van Nelle-fabriek) werkzaam geweest zijnde functionalist pur sang Mart Stam zal in Frankfurt een belangrijke rol spelen bij de bouw van honderden (van in totaal 16.000!) van deze voor de doelgroep betaalbare 'woningen voor het bestaansminimum'. Het symbool voor deze conferentie werd de plattegrond van Ernst May voor arbeiderswoningen in de wijk Praunheim in Frankfurt: 

 

In Rotterdam zijn tal van voorbeelden van gelijksoortige volkshuisvestings-experimenten te zien.

Naast Bakema en Van Eesteren waren ook Rotterdammers als Leen van der Vlugt en Sybold van Ravesteijn bij het CIAM betrokken. Net zoals internationale grootheden als Gropius of Le Corbusier.

Modernisten in diaspora

Onder onvloed van Amerikaanse architecten als Philip Johnson en Henry Russel-Hitchkock zal op architectuurgebied het Europees Modernisme gaandeweg zijn dogmatische kantjes verliezen - representatie van een gebouw wordt weer belangrijker - en overgaan in het begrip 'International Style'..

Niet in de laatste plaats als gevolg van de diaspora van Centraal-Europese Modenisten, die moesten vluchten omdat hun inzichten door de Nazi's als 'entartet' beschouwd werden. Grootheden als Gropius, Breuer en Van der Rohe zullen als gevolg daarvan vanaf dan in de Verenigde Staten grote invloed gaan uitoefenen op de architectuur. 

International Style: Seagram Building van Mies van der Rohe en Philip Johnson (1954)

De Witte Stad van Tel Aviv is een ander rechtstreeks gevolg van deze diaspora. Joodse Centraal-Europese Modernisten vestigden zich in Israel.

Deze wijk van het in 1905 (als Garden City) gestarte uitbreidingsplan van de oeroude stad Jaffa omvatte vierduizend (nu nog ca. duizend resterend) gebouwen in de stijl van Neues Bauen van het Bauhaus en is in zijn geheel  in 2003 opgenomen in de UNESCO-werelderfgoedlijst

   

Emila Zolastraat Tel Aviv

 

Dizengoffplein Tel Aviv

Werk aan de winkel

Op het gebied van architectuur, kunst en design zijn er tal van stromingen, die elkaar deels overlappen en waar men ook veelal dezelfde hoofdrolspelers tegenkomt.

Desondanks speelden binnen al dat internationale Modernische geweld van Neue Sachlichkeit, Rationalisme, Constructivisme, Bauhaus, Neues Sehen, Expressionisme, Functionalisme en Neues Bauen de Rotterdamse Modernisten internationaal een belangrijke rol.

Een rol die in het buitenland, zo lijkt het, meer op waarde geschat wordt dan in eigen land. Of zelfs in eigen stad. Daar moet dus aan gewerkt worden!

Een UNESCO-werelderfgoed benoeming van Van Nelle is daarom een goede start voor een noordzakelijk omdenken over dit Rotterdams Cultureel Erfgoed.

 

^
UA-70918004-1