UNESCO-werelderfgoed Van Nelle Fabriek
ons mailadres | info@vannellewerelderfgoed.nl
Hoofdrolspelers

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

PROTAGONISTEN

 

NL

Hier treft u een overzicht aan van de belangrijkste hoofdrolspelers (personen, instanties, genootschappen) binnen het Rotterdams Modernisme


E  

Presentation of the key players and key institutions in relation to de development of Rotterdam Modernism


D 

Eine Vorstellung von den wichtigsten Hauptdarstellern und Institutionen welche von wesentlicher Bedeutung waren für die Rahmenbedingungen des Rotterdamer Modernismus 


 Academie voor Beeldende Kunsten & Technische Wetenschappen

Voortgekomen uit het in 1773 opgerichte Tekengenootschap, heeft dit instituut gedurende de eerste drie decennia van de twintigste eeuw een cruciale rol gespeeld binnen het Rotterdamse Modernisme.

Tegenwoordig is het onderwijs binnen de Academie na een fusie heringericht en is het studie-aanbod ondergebracht in twee eenheden. Elk benoemd naar een beroemde leerling (Willem de Kooning Academie) en naar een fameuze oud-docent (Piet Zwart Institute).

Het blijft echter een merkwaardig gegeven dat de tak 'Beeldende Kunsten' altijd veel meer aandacht heeft gekregen dan de tak 'Technische Wetenschappen'.

Het standaardwerk uit 2012 van Wilma van Giersbergen over de Academie 'Rotterdamse Meesters, twee eeuwen kunstacademie in Rotterdam 1773-1998' gaat uitsluitend over de tak Beeldende Kunsten. Citaat uit de inleiding ... 'de Technische Wetenschappen zouden een andersoortig onderzoek hebben verlangd en worden hier verder buiten beschouwing gelaten'...

Uiteraard zijn de beeldende kunsten goed vertegenwoordigd met oud-leerlingen als Willem de Kooning, Kees van Dongen of Henk Chabot. Vooraanstaande Modernistische schilders met internationale faam. Het blijft echter symptomatisch voor 'Rotterdam' dat de tak 'Technische Wetenschappen', en de rol daarvan voor het Moderne Rotterdam zoals wij dat nu waarnemen, volledig onderbelicht blijft. Net zoals het Internationaal erkende Rotterdamse Modernisme op zich ook onderbelicht blijft.

Aan de Academie voor Beeldende Kunsten & Technische Wetenschappen zijn echter wel de namen van deels internationaal befaamde coryfeeën zoals Michiel Brinkman, Leen van de Vlugt, Willem Gispen, Cornelis van Eesteren, Andries Copier, Paul Schuitema, Jac Jongert, Piet Zwart, Huig Maaskant, Willem Kromhout, Jan Kamman, Gerrit Kiljan e.a., hetzij als docent, hetzij als student verbonden.

Het is te hopen, dat een eventuele benoeming tot UNESCO Cultureel Werelderfgoed van de Van Nelle-fabriek 'Rotterdam' niet alleen bewust zal maken van 'onze' rol binnen het Internationale Modernisme (en dus niet van het Nieuwe Bouwen alleen) maar ook dit deel van de Academie voor Beeldende Kunsten & Technische Wetenschappen, de tak 'Technische Wetenschappen gerehabiliteerd zal worden!

Of tenminste aan de vergetelheid ontrukt. Dat zou al wat zijn...

Het blijft een vreemde eigenschap, dat Rotterdamse Calimero-gedrag soms bij zaken waarbij we echt iets betekend hebben! Een havenstad die gedurende een bepaalde culturele periode internationaal een leidende rol heeft gespeeld? Waarom ken dat niet? Dan? 

Coolsingel 69


Willem Nicolaas Rose

Stadsbouwmeester (1839-1855)

Ingenieur-adviseur van de gemeente (1855-1877)

Singelplan - Coolsingel Ziekenhuis

   

(1801-1877)


Gerrit Jan de Jongh

Directeur Gemeentewerken (1879-1910)

eerste electriciteitsnet - stadswaterleiding - stadriolering - Kralingse Bos 

(1845-1917)


Mr. Goeman Borgesius

 Minister van Binnenlandse Zaken (1897-1901)

Opsteller Woningwet 1901

(1847-1917)


Hendrik Spiekman

Eerste SDAP-Gemeenteraadslid in Rotterdam (1901-1917)

Bevlogen voorvechter voor het verbeteren van de Rotterdamse volkshuisvesting en later, als Tweede Kamerlid, voor de rechtspositie van havenarbeiders en zeelieden.

Opsteller (samen met journalist Schotting) van het geruchtmakende rapport 'Arm Rotterdam! Hoe het leeft! Hoe het woont! Dit was de uitkomst van een onderzoek, waarbij ze ter plekke in de middeleeuwse wijken met de bewoners gingen praten en zelf de kommervolle leefomstandigheden gingen bekijken.  

 

Onder andere dit rapport zal op termijn het 'laisser faire beleid' van het gemeentebestuur doorbreken. Een beleid, dat gericht is op 'marktwerking' om de verpaupering van de arbeidersmassa's in de binnenstad op te lossen. Dit is des te schrijnender, daar gemeentelijke besturen sinds 1901 met de invoering van Minister Goeman Borgesius' Woningwet voor die tijd vergaande instrumenten in handen hadden gekregen om wat aan die 'sociale quaestie' te doen.

 Spiekman maakt zichzelf bittere verwijten 'met innig leedwezen moeten wij ons verwijten onbekend te zijn gebleven met de mensonterende toestanden waarin een zeer groot deel onzer stadgenoten sinds jaren verkeert.”.

Hij zal zich gedurende de rest van zijn te korte leven met hart en ziel inzetten om het lot van die stadgenoten te verbeteren. Zo begint hij een Bureau voor Arbeidsrecht waar hij twee avonden in de week arbeiders belangeloos adviseert. Ze gaan 'naar Spiekman' wanneer ze een probleem hebben!

Het belang van Spiekman ('dezen onvermoeibare strijder voor het goed recht der arbeiders') wordt echt zichtbaar tijdens zijn begrafenis. Geveld door leukemie als pas 43-jarige, omzoomen in de stromende regen tienduizenden belangstellenden de begrafenisstoet, die zelf ook uit duizenden aanhangers zal bestaan. Het grensoverschrijdend belang van Spiekman wordt daarnaast duidelijk, doordat duizenden werkeloze arbeiders die dag vrijstelling krijgen van het dagelijks op verschillende tijdstippen moeten aanmelden bij het Arbeidsbureau, het zogenoemde 'stempelen'.

De massale betrokkenheid bij zijn overlijden is mede te verklaren vanwege zijn grote kennis van zaken, praktische instelling en tolerantie. Zo verwierf hij ook veel respect bij zijn politieke tegenstanders

In dit verband is het merkwaardig te moeten constateren, dat een van de landelijk gevierde socialistische voormannen, Pieter Jelles Troelstra, bepaalde publicitaire activiteiten van deze bevlogen, eigengereide, praktisch handelende voorvechter voor rechten van arbeiders, niet echt waardeerde.

In contrast hiermee: architect en socialist Berlage zal een voornaam monument voor Spiekman ontwerpen, dat een waardige plaats zal krijgen aan het P.C. Hooft-plein in Spangen. In de beste Rotterdamse tradities (het huidige gedoe rond Zadkine's 'De verwoeste stad' en andere kunstwerken kent een lange traditie!) zal ook met dit monument het nodige geschoven worden. Het wordt zelfs afgebroken...

Respect voor het verleden is in het Rotterdamse dan al een rekkelijk begrip...

Omdat de reconstructie van een plein kennelijk belangrijker is dan de nagedachtenis aan iemand van grote importantie, wordt elders een surrogaat-monumentje opgericht. Wel voorzien van de originele gedenkplaat met daarop het gedicht  met het gedicht van Adama van Scheltema: Da's tenminste iets...

Een arme van geboort,

die alleen gaven bracht,

heeft hij ons toebehoord

en stierf voor 't nageslacht 

   

(1874-1917)

 

Oorspronkelijke ontwerp van Berlage (1923)


Abraham Burgdorffer

directeur Gemeentewerken (1910-1922)

Kralingse Bos - dempen Coolsingel - Vreewijk - Tussendijken - Spangen

oprichting Gemeente Woningdienst 

1862-1932


Willem Kromhout

Hoofddocent Bouwkunde Academie Beeldende Kunsten & Technische Wetenschappen Rotterdam (1910-1915)

1920 Mede-oprichter (met Michiel Brinkman) vooruitstrevend architecten-genootschap 'De Opbouw'

Ondanks de korte periode als hoofddocent heeft deze Rotterdammer, in het begin van de twintigste eeuw in ons land een invloedrijke architect, de klassieke opleiding bouwkunde aan de Academie voor Beeldende Kunsten & Technische Wetenschappen doorbroken.

Kromhout zag deze wijze van uitsluitende kennis over klassieke bouwstijlen  vergaren als onderdeel voor een opleiding Kunstgeschiedenis, maar niet als iets voor Bouwkunde. Zijn studenten moesten een eigentijdse bouwkunst genereren. Bijna twintig jaar eerder had Kromhout in een opvallende lezing, met de provocatieve titel 'Tout à l'égout (alles het riool in), al duidelijk stelling genomen tegen de dan populaire neo-stijlen, die teruggrijpen op klassieke bouwstijlen als Classicisme, Gotiek, Barok en Renaissance

Hij beïnvloedde zo leerlingen die later internationaal vooraanstaande Modernisten zouden worden: architect Leen Van der Vlugt, ontwerper Willem Gispen, stedebouwkundige Cornelis Van Eesteren 

(1964-1940)


 Bauhaus

De naam Bauhaus roept soms wat verwarring op, omdat er een academie mee bedoeld wordt, daarnaast worden de Academiegebouwen Bauhaus genoemd en dan zijn er nog eens drie locaties (Weimar, Dessau, Berlijn) waar 'het Bauhaus' gevestigd geweest is en tenslotte worden de architectuurstijl ( = Neues Bauen) en de ontwerpen van meubelen en gebruiksvoorwerpen (= Neue Sachlichkeit) ook als Bauhaus omschreven. En dat alles voor een instituut, dat maar 13 jaar bestaan heeft.

Opgericht is het Bauhaus 1919 in Weimar door de Berlijnse architect Walter Gropius als 'Staatliches Bauhaus', die daarvoor de voormailge 'Grossherzogliche Hochschule für bildende Kunst' en de voormailge 'Grossherzogliche Kunstgewerbeschule' samenvoegde. Hij werd hiermee de opvolger van de Belgische architect en ontwerper Henry van de Velde, directeur van de 'Grossherzogliche Schule für bildende Kunst' die trachtte een brug te slaan tussen de modernisering van ambachtelijk vervaardigde producten en de dan opkomende fabrieken die machinaal vervaardigde producten leveren.

Gropius was al lid van de Deutsche Werkbund, die zich inzette voor machinaal vervaardigde, zakelijke producten met een kunstzinnige verantwoorde vormgeving en in uitgebalanceerde verhoudingen, zonder versieringen en ornamenten. Hier wordt de basis van het functionalisme gelegd en nadrukkelijk afstand genomen van de neo-klassieke stijlen en het dan zeer in zwang zijnde Jugendstil in Centraal-Europa en het Belgisch/Franse Art Nouveau, met hun overdadige ornamentatie. Ook neemt men afstand van het Engelse Arts & Crafts, die streeft naar een verbetering van ambachtelijk vervaardigde producten en industrieel vervaardigde producten eigenlijk afwijst. Het tegenovergestelde van wat de Werkbund voorstaat. 

       

Art Nouveau-architectuur: Horta-huis Brussel

 

Jugendstil-architectuur

 

Werkbund-architectuur Wenen

Gropius gaat met het Bauhaus nog verder, hij neemt de basisprincipes van de Werkbund over, maaar maakt alles ondergeschikt aan de bouw. Zoals in de middeleeuwen bij de bouw van de grote kathedralen schilders, beeldhouwers, timmerlieden, metselaars en kunstenaars samenwerkten: met de aan kunst en geloof gerelateerde arbeid aan het Gesamtkunstwerk..En zo werd dan ook het opleidingenstructuur van de Bauhaus-academie opgezet: multi-disciplinair samenwerkend.

Dat was revolutionair voor die tijd. En dat werd ook precies het grote probleem voor het Bauhaus in Weimar, de opkomende Nationaal-socialisten in Duitsland beschouwden deze ontwikkelingen als niet heimatverbunden (on-Duits) en entartet (ontaard).Het Staatliches Bauhaus Weimar wordt vanaf 1923 het Staatliches Bauhaus Dessau. Dit wordt de grote bloeiperiode. Daar ontstaan de beroemde, door Gropius ontworpen, schoolgebouwen en de Meisterhäuser, de woonhuizen van Gropius en de zes hoofddocenten. een kilometer verderop in een klein sparrenbos. 

Bauhaus-Meister op het dak van het Preller-Haus (studentenhuis van het Bauhaus-complex- Gropius met gleufhoed in het midden (1926)

Het lespakket wordt uitgebreid met reclametechnieken, (nieuwe) fotografie, (nieuwe) typografie, industriële vormgeving, opzet tentoonstellingen. Ook het toneel (Bauhaus Theaterbühne) wordt een belangrijke factor binnen de academie.

De Van Nelle-fabriek is onder andere beroemd vanwege de markante glazen vliesgevels, maar de eerste experimenten hiermee stammen van Gropius, zoals de Fagus Fabriek in Alfeld (bij Hannover) uit 1910. Hij bracht voor het eerst op grote schaal daglicht in fabrieken en kantoren. De Bauhaus-gebouwen in Dessau van 1926 zijn daar een voortzetting van. Omdat ze keerpunten vormen binnen de architectuur zijn zowel de Fagus-fabriek, de Bauhaus-gebouwen als de Meisterhäuser op de UNESCO Werelderfgoedlijst geplaatst.

   

Fagus-fabriek: vliesgevel vanuit het kantoor van

fabriekseigenaar in 5e (!) generatie Greten

 

Bauhaus (één van de gebouwen) in Dessau

Zeker in de eerste jaren in Dessau heeft de Nederlandse kunststroming De Stijl een grote invloed gehad op de ontwikkeling van het Bauhaus, er vond een hoogstinteressante artistieke en intellectuele interactie plaats. Belangrijke De Stijl-vertegenwoordigers als Theo van Doesburg en de latere stedenbouwkundige Cornelis van Eesteren waren kind aan huis in Dessau.

Maar niet alleen vormgeving en articiteit waren belangrijk, ook vonden er in Dessau belangrijke experimenten plaats bij de zoektocht naar goedkope, hygiënische en betaalbare woningen voor arbeiders. In Siedlung Törten worden in diverse fasen verschillende gerationaliseerde bouwmethoden uitgeprobeerd. Ongeveer in dezelfde jaren, dat er in Rotterdam ook druk geëxperimenteerd wordt met oplossingen voor hetzelfde doel (Zeemanstraat, Kiefhoek, Kossel, Stuhlemeijer).

Een belangrijk verschil tussen de experimentele wijken in Dessau en Rotterdam ligt in de oppervlakte van de bouwpercelen. In Dessau staan de arbeiderswoningen op percelen van zo'n vierhonderd vierkante meter, zodat de arbeiders voldoende ruimte hebben voor een moestuin.

Het zijn experimenten, dus er gaat wel eens wat mis, zo ook in Dessau. Er zijn constructiefouten, bouwtechnische problemen en er wordt geëxperimenteerd met alternatieve bouwmaterialen, zoals slakken uit uit de hoogovens van de staalindustrie. Gaandeweg krijgt men dit gestandaardiseerde bouwen echter beter onder de knie en tot op de dag van vandaag is het karakter van Törten bewaard gebleven en is het een wijk waar men graag woont.

Gropius trekt zich nu terug als directeur en wordt opgevolgd door de Zwitserse communist Hannes Mayer, een functionalistische hardliner. Met deze achtergrond is het niet verwonderlijk, dat hij later met zijn Nederlandse collega's Stam en van Loghem bij bouwprojecten in Rusland terechtkomt...

Intussen is het progressieve klimaat in Dessau veranderd, ook hier krijgen de Nationaal-socialisten de macht en weer moet het Bauhaus verhuizen. Nu trekt men in een oude fabriek in Berlijn, waar men onder de nieuwe directeur Mies van der Rohe - diens positie heeft meer weg van een curator die een faillissement afwikkelt - na twee jaren zieltogen op last van de nazi's de academie sluit.

Veel hoofdrolspelers - docenten en leerlingen (niet alleen de Joodse) moeten door uit Duitsland te vertrekken het vege lijf redden. Gropius, Van der Rohe en Breuer zullen hierna grote invloed uit gaan oefenen op de architectuur in de Verenigde Staten, richting International Style. Een bekend voorbeeld is Ieoh Min Pei, een van de meest toonaangevende architecten van de tweede helft van de twintigste eeuw. Deze ontwerper van de Pyramide van het Louvre was leerling van Walter Gropius.

Ook de tot het UNESCO-Werelderfgoed benoemde Witte Stad in Tel Aviv is aan deze architecten-diaspora te danken. Van de oorspronkelijk vierduizend (!) gebouwen in Bauhaus Stijl (maar aangepast aan de Mediterane omstandigheden) bestaan er nog duizend.

Kees van der Leeuw en Walter Gropius onderhielden vriendschappelijke banden en zijn tot hun dood blijven corresponderen, Bij een van zijn bezoeken in Dessau had Van der Leeuw, waar hij bij hen logeerde, voor Walter en Iise Gropius een glasservies van Royal Leerdam meegenomen, waarschijnlijk een ontwerp van de in Rotterdam opgeleide Andries Copier (daar wordt nog onderzoek naar gedaan). Dat werd zeer op prijs gesteld, zodanig dat ze later nog een nabestelling deden bij de Leerdamse Glasfabriek.

Daarnaast is Gropius met zijn dochter Manon (uit zijn huwelijk met de fameuze Alma Mahler) op bezoek geweest bij de Van Nelle-directeur Bertus Sonneveld en zijn gezin in Huis Sonneveld.

Maar ook inhoudelijk waren er veel contacten over en weer, iets wat de periode zo bijzonder maakt. Er vond een permanente internationale kruisbestuiving plaats tussen steden, tussen instituten en tussen architecten en ontwerpers. En 'Rotterdam' stond op ooghoogte met de rest van deze Modernistische elite.

Professor Philipp Oswalt, voorzitter van de Stiftung Bauhaus Dessau schrijft dan ook niet zomaar in een inleiding van een boekje over Siedlung Törten:...Die Siedlung Törten ist sicherlich nicht so bekannt wie der Stuttgarter Weissenhof oder die Siedlungen des neuen Bauens in Frankfurt, Berlin, Rotterdam und Wien...

Het blijft buitengewoon, dat een betrekkelijk klein opleidingsinstituut, dat daarnaast maar ruim één decennium heeft bestaan wereldwijd zo'n invloed heeft gekregen en gehouden. Dat zegt iets over de enorme talenten van de docenten en de leerlingen in combinatie met het geloof en de verbondenheid met de missie van het Bauhaus. De moderne tijd werd toen ingeluid.

In principe zijn op veel terreinen creatief werkenden nog altijd schatplichtig. Ter illustratie hier enkele voorbeelden van (de vele) Bauhaus-ontwerpen van 80-90 jaar geleden: 

       
         

 

       
         

 

    K    

Kees van der Leeuw

Firmant van  Firma De Erven de Weduwe J. Van Nelle

Namens de Raad van Bestuur gemandateerd om de bouw van een nieuwe fabriek voor de productie van koffie, thee en tabak voor te bereiden, te begeleiden en af te ronden (1917-1931)

Studie algemene geneeskunde en psychiatrie in Wenen, afgesloten met promotie tot Doctor in de Psychiatrie (1932-1939)

Vanuit Club Rotterdam informele oppositieleider tegen de reconstruerende plannen van Ir. Witteveen, Hoofd Adviescommissie Stadsplan Rotterdam (1942-1943)

Geïnstalleerd door de Algemeen Gemachtigde (namens de Nederlandse regering in Londen) voor Wederopbouw en Bouwnijverheid, J.A. Ringers, als  Gemachtigde Wederopbouw Rotterdam (1944-1946)

Curator van de faculteit Bouwkunde van de Technische Hogeschool Delft (1946-1953)

President-curator van de Technische Hogeschool Delft (1953-1960)

Als jongeheer Kees maakt hij deel uit van de 'sierbengels', deze naam vanwege de typisch Rotterdamse gewoonte, overal etiketjes op te plakken. Deze sierbengels waren de opgroeiende gebroeders van der Leeuw (Kees-de oudste, Koos en Dick-de jongste) en worden zo genoemd omdat ze, altijd gebruind en strak in het pak, met als uitvalsbasis het ouderlijk huis aan de Westzeedijk voortdurend op pad zijn, zij het in Rotterdam, zij het in de rest van de wereld...

Kees zal in de jaren dertig beide broers verliezen door ongelukken met vliegtuigen die ze zelf besturen. Koos stort op de terugweg van Kaapstad neer ergens in Afrika, Dick landt in potdichte mist in de Waalhaven en verdrinkt daar, na een zakelijke trip naar Engeland..

Net als broer Koos was Kees een overtuigd Theosoof, en financierde op grote schaal de beweging, zoals de infrastructuur rond de Sterkampen - bijeenkomsten rond Krishnamurti op het landgoed Eerde van Baron Van Pallandt bij Ommen.

Daarnaast was Kees al in een vroeg stadium bezig na te denken over de woon- en werkomstandigheden van de arbeiders. Zo zette hij als 24-jarige in 1914 een aantal gedachten op papier, die ruim tien jaar later de sociale context voor de bouw van de Van Nellefabriek zullen vormen.

Het is niet voor niets, dat een eeuw later (!) zijn inzichten een rol spelen binnen de criteria, waarmee de Van Nelle-fabriek is voorgedragen voor opname in de UNESCO-werelderfgoedlijst. Van de drie gekozen citeria luidt criterium II:

[.De Van Nellefabriek Rotterdam exhibit an important interchange of human values, over a span of time or within a cultural area in the world....]

met o.a. in de argumentatie

[...The defined 'light factory in a green area' is a widely acknowledged emblem of modern culture and modern design, associated wirh social commitment and the enhancement of an open civil society...]

Lid van alle Rotterdamse clubs en verenigingen 'die er toe doen'. Met enkele anderen vóór-, tijdens- en na de oorlog spin in het web bij alle ontwikkelingen die geleid hebben tot het na-oorlogse moderne Rotterdam. Dat netwerken werpt zijn vruchten af, want door deze omgeving werd hij eerder attent gemaakt op Leen van der Vlugt. Naast een relatie opdrachtgever-architect ontstaat er met deze architect een vriendschappelijke relatie, zo zijn de heren op foto's schaatsend op de Kralingse Plas te bewonderen...

Kees van der Leeuw woont vanaf 1928 aan die Kralingse Plas in een door Van der Vlugt ontworpen stadsvilla, enthousiast als hij was over de vertaling van zijn inzichten naar het ontwerp van de Van Nelle-fabriek. De Van Nelle-directeuren de Bruijn (Schiedam-1931) en Sonneveld (Land van Hoboken-1933) volgen zijn voorbeeld

In de beschrijving hieronder van 'De Rotterdamsche Kring' en van 'Club Rotterdam' wordt uitvoerig ingegaan op Kees van der Leeuw zijn activiteiten inzake de wederopbouw.

Wanneer zijn betrokkenheid met de wederopbouw afloopt, wendt hij zich tot een andere taak: het doorbreken van de dominantie binnen de bouwkundige opleiding in Delft van de traditionalisten en met name de architectuurstijl 'Delftse School' met als 'voordenker' de in Rotterdam (Bureau Granpré Molière-Verhagen-Kok stedebouwkundigen) werkzaam geweest zijnde professor Grandpré Molière  Deze zal na zijn bekering tot het katholicisme radicale standpunten innemen met betrekking tot architectuur. Het Modernisme met zijn vele stromingen binnen schilderkunst, architectuur, industriële vormgeving, fotografie e.d. was hem een doorn in het oog.

Ware kunst moet getuigen van God's plan, de rest is modieuze ketterij. Dat gaat dus vrij ver, want volgens hem was de degeneratie van de kunst al begonnen met de Renaissance. Gotiek was eigenlijk ook niets, en over Het Nieuwe Bouwen, Expressionisme, Nieuwe Typografie e.d. hoeven we het natuurlijk helemaal niet te hebben. Romaans moet het zijn!

Prof.ir. Jan Molema en ir. Suzy Leenmans hebben die toch wat verontrustende, naar sektarisme neigende ontwikkeling (maar ook het verzet daartegen) en deels bizarre periode uitvoerig beschreven in hun boek ‘Moderniteit in een behoudende omgeving. Jan Albarda en de Groep van Delft’, 

Het werd zo erg, dat de wederopbouw hinder ondervond van de stammenstrijd tussen modernisten en traditionalisten. Er moesten wegen gezocht worden om dit fundamentele probleem op te lossen, niet in de laatste plaats omdat ingenieurs onmisbaar waren voor de wederopbouw en de na-oorlogse industrialisatie.Er moesten veel meer ingenieurs komen en dus moest de TH aanzienlijk uitgebreid worden om een en ander te kunnen verwerken.

Hier ligt dus een uitdaging en een van de grootste voorvechters van het Modernisme in ons land neemt die aan. Hij gaat als curator van de faculteit Bouwkunde en later als president-curator van de TH  het gevecht aan, mede door de aanstelling van modernistisch architect Jo van den Broek (en na het overlijden van Leen van der Vlugt de nieuwe partner in wat dan Burerau Brinkman & van den Broek heet) en stedebouwkundige en CIAM-voorzitter Cornelis van Eesteren. Beide heren niet geheel verwonderlijk uit het Rotterdamse circuit en waar hij intensieve contacten binnen OPRO met hen heeft gehad en hen zeer is gaan waarderen.

Daarnaast heeft Van der Leeuwde basis gelegd voor uitbreiding van de faculteitsgebouwen en laboratoria in Delft-Zuid: de TH-wijk, waarbij Van den Broek (met zijn nieuwe compagnon Jaap Bakema, Jan Brinkman was 1951 overleden) en Van Eesteren (stedebouwkundig) een belangrijke rol speelden.

Na zijn pensionering zal hij zitting nemen in tal van besturen, zoals die van het Kröller-Müller Museum en van Rotterdams Philharmonisch Orkest tot hij in 1973, 83 jaar oud, zal overlijden.

Mede door de  enorme lange duur van zijn maatschappelijke betrokkenheid is Van der Leeuw één van de symbolen van de verbinding tussen het vooroorlogse en na-oorlogse Moderne Rotterdam.

Kees van der Leeuw (r) met Van Nelle-directeur Bertus Sonneveld

(ter gelegenheid van diens Koninklijke onderscheiding))

in de eetzaal van de Koninklijke Roei- en Zeilvereniging 'De Maas'

(1950)


Karel van der Mandele

Directeur Rotterdamse Bankvereniging (1910-1940)

Oprichter Maatschappij voor Volkshuisvesting Vreewijk (1913)

1927 Voorzitter Stichting Volkskracht - 'de bevordering van den geestelijken en lichamelijken welstand der mingegoede bevolking van Rotterdam'

President Kamer van Koophandel (1938-1960)

Een halve eeuw lang was Mr. dr. K.P. van der Mandele de spil waar veel om draaide. Geldstromen sturen, initiatieven ontplooien, mediator met het oliekannetje, plannen ondersteunen of juist tegenhouden of en petit comité in zijn achtertuin in Kralingen met burgemeester Oud e.a. de wederopbouw op poten zetten: Van der Mandele was er bij!

Mede door de  enorme duur van zijn loopbaan is Van der Mandele het belangrijkste symbool van de verbinding tussen het vooroorlogse en na-oorlogse Moderne Rotterdam. 

(1880-1975)


Rotterdamsche Kring

Een vereniging voor intellectuele en culturele verdieping

Opgericht October 1913 door Bankier Rudolf Mees heeft de Rotterdamsche Kring bestaan tot 10 april 1942  De oorlogstijd eiste zijn tol. Mees financierde indirect genereus het 'clubgebouw' aan de Eendrachtsweg 12a. 

Gedurende die bijna drie decennia hebben een schier oneindige reeks activiteiten, manifestaties en tentoonstellingen plaatsgevonden (met dank aan de publicatie 'DE ROTTERDAMSCHE KRING. 1913-1942 door J. E. van der Pot'). Daaruit blijkt onder meer dat sommige van die activiteiten nu onmogelijk zouden zijn. Want wat te denken van tentoonstellingen van werken van Piet Mondriaan (met toelichting op locatie van zijn 'De Stijl'-collega J.J.P. Oud!), Vincent van Gogh of oud-Russische iconen in een particuliere woning?

Mees initieerde de Rotterdamsche Kring omdat

'bij herhaling was in de laatste tijd gebleken, dat hier ter stede onder de meer ontwikkelde kringen behoefte bestond aan verlevendiging der belangstelling voor studie op verschillend gebied. Door het commerciële karakter der bevolking werd die belangstelling niet, zoals in academiesteden, als vanzelf aangekweekt.
En juist in verband met die eenzijdige ontwikkeling werd hier het levendig houden der belangstelling voor onderwerpen op ideëel gebied van bijzonder gewicht geacht.
De 'Handel' hield weinig voeling met groepen van personen, die buiten de handel stonden. En deze kringen zelf, bijv. de medici, de rechterlijke macht, de predikanten, de leraren, de kunstenaars vonden ook onderling weinig contact. De initiatiefnemers nu meenden in deze behoeften te kunnen voorzien door de oprichting van een vereniging, die behalve de studiezin bevorderen ook meer aanraking tussen personen van verschillende geestesrichting zou
meebrengen.'

Onder de oprichters van 1913 treffen wij, behalve de voorzitter, vele bekende namen aan:
mevr. C. van Alphen-Roos, mr. P. Baelde, dr. J. C. J. Bierens de Haan, dr. S. Birnie, W. C. Bolle, M. Brinkman, prof. mr. G. W. J. Bruins, dr. J. M. Dutilh, dr. J. Ph. Elias, ds. G. F. Haspels,
mevr. E. Mees-van Stolk, Dirk Nijland, ir. A. Plate, mej. S. Plate, dr. K. H. de Raaf, mevr. A. Reuchlin-Elink Schuurman, mr. H. M. A. Schadee, F. Schmidt Degener, dr. J. Siegenbeek van Heukelom, prof. mr. F. de Vries, dr. J. Vürtheim, dr. E. Wiersum en mej. J. M. Wolfson, mej. G.
P. van Stolk, die als secretaresse optrad, mej. L. Havelaar, J. Hudig L.Jzn., C. H. van der Leeuw, mr. K. P. van der Mandele, mevr. H. van der Mandele-van Bosse, mevr. E. Mees-Havelaar,
Jacob Mees en mevr. J. Piek-van Rees.

Club Rotterdam is van meet af aan groot succes, 300 leden - de Rotterdamse Who-is-Who van die tijd - melden zich al bij het begin. Later zullen zich nog velen bij hen voegen, zoals Gispen, Van Traa en Boks.
In 1932 zal een geheel nieuw bestuur van jongeren de leiding overnemen, bestaande uit Mr. L. J. Hijmans van den Bergh (voorzitter), ir. J. W. C. Bokswerd secretaris-penningmeester. Verder namen mr. R. Baelde, dr. J. F. Otten, ir. C. van Traa, ir. J. Brinkman en mej. M. de
Monchy
in het bestuur zitting.
 

Men begint voortvarend. In januari 1914 met maquettes en tekeningen van H. P. Berlage  tentoon te stellen; daarna Rotterdamse stadsgezichten, Delfts aardewerk, Indische ethnografie, Zuid-Hollandse volkskunst enz. 's Zaterdagsmiddags werd toelichting gegeven bij wat er te zien was, zo kwam Berlage zelf over om uitleg te geven bij 'zijn' tentoonstelling.

Aan onderwerpen ook geen gebrek: men houdt zich bezig met wijsbegeerte, Nederlandse taal, de invloed van de oorlog op het zedelijk leven, economische en staatkundige beschouwing van het sociale vraagstuk, architectuur, psychologie, godsdienst, muziek, lokale gebeurtenissen, maatschappelijk werk. Ook politieke vraagstukken komen aan de orde, zoals al in 1926 (!) de 'Vereenigde Staten van Europa'.

Er worden internationale gastsprekers uitgenodigd, zoals als in 1932 een lid van de Reichstag in Berlijn, om te vernemen wat zich daar zoal aan het ontwikkelen is (enkele maanden vóór de greep naar de macht van de Nazi's...) Ook laat men zich uitvoerig voorlichten over het Communisme in Rusland. Maar ook 1934 de Spaanse wijsgeer Ortega y Gasset komt voorbij, wiens boek 'Opstand der Horden' de Europese gemoederen dan behoorlijk bezig houdt.Ter illustratie van de bandbreedte van intresses: ook is er een lezing met lichtbeelden over de Reeuwijkse Plassen, omdat deze met ondergang bedreigd werden.

Intussen zit men op  stalen buismeubelen en worden de leden bij hun activiteiten verlicht door GISO-lampen uit de fabriek van medelid, Willem Gispen. De boog kan niet altijd gespannen blijven: 1918 is er een poppenkastvertoning, ontworpen en uitgevoerd door dr. A. G. van Hamel en ir. M. J. Granpé Molière (beiden later hoogleraar).

Er zijn excursies zoals in 1916 naar Heijplaat en later naar Spangen en Bospolder. Grote belangstelling is er voor de bezichtiging van de nieuwe fabriek van Van Nelle en van het woonhuis van haar directeur C. H. van der Leeuw aan de Kralingse Piaslaan, onder leiding van de architecten Brinkman en Van der Vlugt;

Naast de eerder genoemde tentoonstellingen exposeert de dan beroemdste beeldhouwer van Nederland, John Rädecker, worden 1920 de ontwerptekeningen tentoongesteld van het Bosch- en Parkplan rondom de Kralingsche Plas (van de Kringleden Granpré Molière, Verhagen en Klijnen) en zijn er exposities van Paul Schuitemaker, Leendert Bolle, Paul Citroen en Edgar Fernhout.Voorts wordt houtsnijwerk  van H. Jonas tentoongesteld; moderne meubelen van ir. S. van Ravesteyn, gekoppeld aan een lezing van hem over moderne interieurkunst. Toen Van Ravesteyn een radiotoestel had ontworpen, werd ook dit tentoongesteld en op 26 maart 1927 gedemonstreerd. 

Meubelen van Van Ravesteijn

 W. H. Gispen en J. J. P. Oud gaven in het najaar van 1927 een tentoonstelling van 'Kunstloze gebruiksvoorwerpen: niet anti-kunst, maar anti-kunstnijverheid', ingericht en ingeleidt
door Gispen. Een maand later: 'Van moderne schilderkunst en hedendaagsche techniek tot nieuwe architectuur', door Oud ter opening van een tentoonstelling van werk der „i 1 O-groep". Later gevolgd door ir. J. B. van Loghem over '
Interieurkunst als ruimtekunst'.

Dat naast intellectuele en culturele verdieping Club Rotterdam ook het netwerken niet te kort kwam illustreert het volgende. Opzien baarde in het najaar van 1931 een schilderijententoonstelling met werken vanA. C. Willink, Cor Postma en Pijke Koch. De pers wijdt er grote aandacht aan en Museum Boymans doet hier zijn voordeel mee, bij aankoop van enkele werken. Want F. Schmidt Degener is naast directeur van Boymans immers tevens lid de de Rotterdamsche Kring...

Architecten en ontwerpers binnen de Rotterdamsche Kring kunnen hun voordeel doen met het in ongedwongen sfeer ontmoeten van vele potentiële opdrachtgevers..Of het nu om opdrachten ging of om het bijsturen van meningen...

J.J.P. Oud, die van buiten Rotterdam kwam bij zijn aanstelling als architect bij de nieuwe Woningdienst, constateerde:'De Rotterdamsche Kring heeft wat ons aangaat zijn doel volkomen
bereikt: we hebben er veel prettige kennissen aan te danken en zijn er beter door ingeburgerd. De toewijding van den heer en mevr. Mees-Havelaar voor den Kring is een bizonder element en ze is spreekwoordelijk'.
 

Dit instituut heeft een belangrijke rol gespeeld in het Rotterdam van voor de oorlog. Naast OPRO, Opbouw, de Aacademie en Club Rotterdam is hier mede de basis gelegd voor het moderne Rotterdam van na de oorlog.


Auguste Plate

 Eerste directeur Woningdienst (1917-1923)

Tijdens de Tweede Wereldoorlog belangrijk medestander van Kees van der Leeuw bij het verzet tegen de reconstruerende wederopbouwplannen van Stadsarchitect Witteveen.

1929 Mede-oprichter met Willem Van Tijen van de NV Volkswoningbouw Rotterdam, hetgeen o.a. leidde tot de baanbrekende Bergpolderflat.

Uitgangspunt voor zijn handelen als eerste directeur van de nnieuwe Gemeentelijke wondingdienst was  

"De huisvesting der onderste bevolkingslagen is een maatstaf voor het beschavings- en welstandsniveau van een samenleving, van een land, van een stad”.

Aanstelling van vernieuwend architect J.J.P. Oud - (veelal samen met wethouder Heijkoop, zie hierna) wegbereider van baanbrekende projecten als Kossel, Stuhlemeijer, Justus van Effenblok, Zeemanstraat, Kiefhoek en Blijdorp.

Mentor van beginnend architect Willem van Tijen, die later een rol zal spelen bij OPRO en bij de uitvoering Basisplan Wederopbouw (Plan van Traa). Zo zal Van Tijen op de linkermaasoever Zuidwijk ontwerpen. Voorts is Van Tijen (met Van der Vlugt) ontwerper van de eerste 'echte' galerijflat van Nederland (na wegwijzende experimenten van anderen als Diergaardesingel en Justus van Effenblok)

Plate's uitgangspunt en vernieuwingsdrang vormen vanaf 1917 de basis voor het Moderne Rotterdam zoals wij dat nu kennen.

(1881-1953)


Piet Verhagen

1913 door Burgdorffer aangetrokken als stadsarchitect/stedebouwkundige na een aantal succesvolle stedebouwkundige ontwerpen in andere steden

Richt 1917 met M.J. Granpré Molière het eerste stedebouwkundige bureau van Nederland op, 1919 uitgebreid met A. Kok

Verhagen, eerst zonder, later met Granpré Molière is betrokken bij veel grote, baanbrekende plannen in Rotterdam.

Tuindorp Vreewijk - Kralingerhout - Spangen - Streekplan IJsselmonde 

(1882-1950) G.M (links), Verhagen (rechts)


Arie Wouter Heijkoop

Eerste SDAP-wethouder in Rotterdam (1919-1929)

Groot pleitbezoger voor het zoeken naar nieuwe wegen om het mensonterende Rotterdamse volkshuisvestingsprobleem op te lossen.

Nauwe samenwerking met Guus Plate leidt tot tal van vernieuwende projecten op het gebied van volkshuisvesting voor mingegoeden, zoals Kossel, Stuhlemeijer, Justus van Effenblok, Zeemanstraat, Kiefhoek en Blijdorp. 

Spotnaam van verbitterde conservatieven, maar voor hem Geuzennaam: 'Arie Beton' 

(1883-1929)

 Genootschap Opbouw

Opgericht op 31 januari 1920 door Michiel Brinkman en Willem Kromhout als alternatief voor het meer behoudende 1885 opgerichte genootschap Bouwkunst & Vriendschap. Opbouw heeft in de twintigste eeuw decennialang grote invloed gehad op de modernisering van architectuur en stedebouw.

Onmiddelijk sluiten zich tal van bekende vrije architecten, architecten in gemeentelijke dienst en ontwerpers bij dit initiatief aan: M.J. Granpré Molière, J. Klijnen, L. Bolle, A. Siebers, P. Verhagen, L.C. van der Vlugt, J. Gidding, J. Jongert,W.H. Gispen en J.J.P. Oud. Later zullen toetreden M. Stam en J.B. van Loghem, C. van Eesteren,W. van Tijen, W. van Gelderen, P. Zwart, P.. Schuitema en K. van  Loohuizen

Na het aftreden van Kromhout zal Mart Stam voorzitter worden.Er heerst, zeker na het toetreden van Stam en Van Loghem, niet altijd eensgezindheid. Met name deze twee roepen nogal wat weerstand op vanwege hun stramme, communistische overtuigingen. Maar ook tegenstellingen tussen modernisten en traditionalisten (Delftse School) gaan zo diep, dat sommigen zullen bedanken voor het lidmaatschap en Opbouw gaan verlaten.

Onder invloed van mensen als Oud, Van der Vlugt en Van Eesteren zal Opbouw tot denktank en spreekbuis van de Modernisten worden. Zo krijgt Opbouw een belangrijke stem in het Congrès Internationaux D' Architecture Moderne (CIAM). Dit was het internationale discussieplatform, bijvoorbeeld over hoe de bouw moest worden gereorganiseerd om de veelal mensonterende woonomstandigheden van de verpauperende arbeidersmassa's in Europa op te lossen.

Rationalisatie, standaardisatie, kostenbespraing, licht, lucht, ruimte, hygiëne worden de uitgangspunten. Het uiterlijk van een gebouw, de representatieve functie, zou niet meer bepalend moeten zijn. De functie van de binnenruimten bepalen het uiterlijk; of het nu gaat om arbeiderswoningen, villa's, utiliteitsgebouwen of sportkantines!
Deze uitgangspunten staan lijnrecht tegen de opvattingen van de traditionalisten, maar ook ten opzichte van modernere bouwstijlen als de Amsterdamse School met het massal gebruik van baksteen, ingewikkelde bakstenen-ornamenten aan en in buitengevels, kleine ramen, siertorentjes, veelal stijle puntdaken, etc.

Maar ook in Amsterdam zijn er architecten die openstaan voor de radicalere vernieuwingen en de behoefte te hebben aan een platform om van gedachten te kunnen wisselen. Daarom wordt zeven jaar na Opbouw het genootschap 'De Acht' opgericht door Ben Merkelbach. In hun oprichtingsmanifest geen zij aan tegen de bewerkelijke architectuur van de Amsterdamse School te zijn, waarmee zij opgeleid waren, maar dat zij zich zullen richten op de internationale stromingen van die tijd (Bauhaus, Deutsche Werkbund, Constructivisme).

Het Nieuwe Bouwen, Functionalisme, Bauhaus, Nieuwe Zakelijkheid, Neues Bauen, Modernism, het zijn vele vlaggen die de lading dekken, waarbij de grenzen niet altijd te bepalen zijn. Ook omdat nationaal en internationaal altijd weer dezelfde hoofdrolspelers beeldbepalend zijn.

Wat later treden vernieuwende vakmensen als Jan Duiker en Gerko Wiebenga toe. Evenals Cornelis van Eesteren, die nu van beide genootschappen lid is. Want het bleek al snel dat het wat contraproductief is, wanneer op een afstand van tachtig kilometer twee genootschappen min of meer met hetzelfde bezig zijn. Verwarrend bij internationale contacten richting CIAM of Bauhaus! Aangezien de heren rationaliteit hoog in het vaandel hebben staan, besluiten zij al snel samen te gaan en het tijdschrift 'De 8 en Opbouw' uit te gaan geven, waarin de denkbeelden en discussiepunten van dit nu internationaal en nationaal zeer sterke platfom worden gepresenteerd.

Deze spreekbuis van het Nieuwe Bouwen: daar wordt naar geluisterd!
In het algemeen houden de lokale, veelal behoudende welstandscommissies echter de plannen (ontworpen volgens de principes van het Nieuwe Bouwen) tegen. Enkele uitzonderingen daargelaten, zoals in Hilversum waar Dudok een aantal prachtige gebouwen mocht neerzetten en Heerlen, waar Peutz een aantal gebouwen kon realiseren.

Om die reden zijn er in Amsterdam maar enkele voorbeelden van het Nieuwe Bouwen, zoals de school met die merkwaardige naam 'Openluchtschool voor het Gezonde Kind' en de Cineac Bioscoop, beide van Duiker. Wel kan daar het door Van Eesteren uitgewerkte Algemeen Uitbreidingsplan (volgens de principes van het CIAM). grotendeels uitgevoerd worden.

Opbouw in Rotterdam heeft veel meer succes gehad, Rotterdam is voor wat betreft gebouwen de onbetwiste hoofdstad van Het Nieuwe Bouwen in ons land en ook Het Basisplan voor de Wederopbouw alsmede de Uitbreidingsplannen (Kleinpolder, Pendrecht, Hoogvliet-Westpunt, Alexanderpolder, Ommoord en de Zuidelijke Tuinsteden werden volgens de uitgangspunten van het CIAM opgesteld.

Opbouw had in Rotterdam dan ook machtige vrinden: industriëlen, havenbaronnen en bankiers, naast andere notabelen, die verenigd waren in illustere gezelschappen als Club Rotterdam, OPRO of De Rotterdamsche Kring. Dat netwerken op niveau is best handig, om bijvoorbeeld een regering zover te krijgen toestemming te verlenen, driehonderdachtenvijftig hectare vers gebombardeerd gebied in de binnenstad in één klap te onteigenen, zodat je daar de door jou gewenste functionalistische stad kunt gaan inrichten..

 


Club Rotterdam

1928 door vooraanstaande industriëlen, havenbaronnen en bankiers opgericht teneinde van tijd tot tijd 'het belang van Rotterdam in het algemeen' te bespreken

Gaandeweg zal dit gezelschap notabelen zich ter stede tot een soort (zoals architectuur-historicus Wouter van Stiphout het in zijn dissertatie omschreef) 'schaduwkabinet' gaan ontwikkelen, met name gedurende de Tweede Wereldoorlog.

Ter illustratie van het 'gewicht' van de in Club Rotterdam verzamelde heren hier een terzijde: 1929 richten ze het Rotterdamsch Beleggings Consortium op. Veertig jaar later is dit beleggingsclubje van wat mede in het Nieuwe Bouwen geïnteresseerde Rotterdamse heren uitgegroeid tot het grootste beleggingsfonds van Europa. Tegenwoordig bekend onder de naam Robeco, is het beleggingsclubje uitgegroeid tot een internationaal concern met een belegd vermogen van wereldwijd tegen de 200 miljard euro...

Op 18 mei 1940 kreeg ir. W.G. Witteveen, directeur van de Gemeentelijke Technische Diensten van het gemeentebestuur opdracht plannen voor de wederopbouw van het vier dagen eerder gebombardeerde Rotterdam te maken.

De Kleine Commissie van Club Rotterdam (lees: het bestuur) zal het gaandeweg volledig oneens worden met de reconstrucerende wederopbouwplannen van Witteveen.

Na een periode vanaf maart 1942 van kritisch monitoren van deze plannen schakelde het gezelschap 1944 over tot het ongevraagd adviezen verlenen.

De Van Nelle-fabriek wordt het hoofdkwartier te velde van deze kritische volgers, waarbij Van Nelle-firmant Kees van der Leeuw het voortouw neemt.

 Na het wegvallen van Algemeen Gevolmachtigde Ringers in 1943, wordt Kees van der Leeuw in 1944 tot zijn 'Gemachtigde Wederopbouw Rotterdam' benoemd. Vanaf nu komt de controverse tussen Witteveens reconstruerende wederopbouwplannen en het functionalistische basisplan van de rond Van der Leeuw verzamelde machtige groep industriëlen, bankiers, havenbaronnen, architecten en stedebouwers in een stroomversnelling.

1944 zal de rol van Club Rotterdam inzake de Wederopbouw overgaan op OPRO: Commissie OPbouw ROtterdam. Deze fusie uit progessieve topambtenaren (Van Traa) en modernistische architecten (Van Tijen, Van den Broek) met kritische havenbaronnen (Nijgh, de Monchy, Backx) , bankiers (Van der Mandele, Hintzen) en industriëlen (Van der Leeuw) zal alles  bepalend zijn voor de ontwikkelingen, die gaan leiden naar het moderne Rotterdam van nu.

De rol van Ir. W.G. Witteveen en zijn Adviescommssie Stadsplan Rotterdam (ASRO) is dan bijna uitgespeeld. Het Basisplan Wederopbouw Rotterdam ('Plan Witteveen') definitief van de baan.

Alternatieve wederopbouwplannen bespreken in het Van Nelle-directiekantoor


 Johan Ringers

Algemeen Gemachtigde (namens de regering) voor Wederopbouw en Bouwnijverheid

Op 21 mei 1940 benoemt generaal Winkelman (de opperbevelhebber van het leger, die na het vertrek van de regering naar Londen werd belast met de wetgevende en uitvoerende macht) dr. ir. J.A. Ringers tot Regeringscommissaris voor de Wederopbouw.

Ringers' positie zal wat later gewijzigd worden in Algemeen Gemachtigde voor de Wederopbouw en voor de Bouwnijverheid.

Op Ringers' advies besluit Winkelman 24 mei 1940, dat alle percelen met verwoeste gebouwen en de restanten van de gebouwen onteigend worden, inclusief datgene wat nodig zal zijn voor de uitvoering van wederopbouwplannen.

(Ter illustratie van hoe ingrijpend en belangrijk voor Rotterdam dit unieke besluit is: het gaat hier om eeuwenoud, stedelijk gebied met een oppervlakte van 358 ha, waarop ruim 70.000 gebouwen gestaan hadden)

Ringers richt per 23 december 1940 de Dienst voor de uitvoering van de Wederopbouw van Rotterdam (DIWERO)

Ringers roept per 1 januari 1941 het Adviesbureau Stadsplan Rotterdam (ASRO) in het leven, waarvan Witteveen aan het hoofd komt te staan met Ir. C. van Traa als zijn assistent.

Zowel DIWERO als ASRO staan onder direct gezag van Algemeen Gemachtigde Ringers. Het gemeentebestuur wordt op de hoogte gehouden.

April 1943 wordt Ringers vanwege zijn verzetswerk door de bezetter gearresteerd en zal tot het eind van de oorlog in concentratiekamp Sachsenhausen gevangen gehouden worden.

Kees van der Leeuw wordt de nieuwe Rijksgemachtigde en richt 1944 met gelijkgestemden Commissie Opbouw Rotterdam (OPRO) op als tegenwicht voor Witteveen's ASRO.

Ringers zal 1945 als geestelijk en lichamelijk gebroken man terugkomen naar Nederland.

Ringers zal 1963 voor zijn enorme verdiensten voor de wederopbouw van Rotterdam de Van Oldenbarneveldpenning uitgereikt krijgen.

(1885-1965)


Commissie Opbouw Rotterdam (OPRO)

Deze commissie fungeert vanaf 1941 als progressief tegenwicht tegen de reconstruerende wederopbouwplannen van het gemeentelijk Adviesbureau Stadsplan Rotterdam

Op initiatief van Kees van der Leeuw treden vooraanstaande, modernistische architecten als Van Tijen, Van den Broek, Maaskant, Kraaijvanger alsmede stedebouwkundige Verhagen toe tot OPRO.

Na de arrestatie en deportatie naar concentratiekamp Sachsenhausen van Algemeen Gevolmachtigde Ringers in 1943, wordt Kees van der Leeuw in 1944 tot zijn 'Gemachtigde Wederopbouw Rotterdam' benoemd.

Vanaf nu komt de controverse tussen Witteveens reconstruerende wederopbouwplannen en het functionalistische basisplan van de rond Van der Leeuw verzamelde machtige groep industriëlen, bankiers, havenbaronnen en toonaangevende architecten/stedebouwers in een stroomversnelling.

Niet in de laatste plaats door een verkeerscirculatieplan op eigen initiatief van stedebouwkundige en CIAM-voorzitter Van Eesteren, dat lijnrecht ingaat tegen de ideeën van ASRO.

Na een uitgebreide inventarisatie door Van Tijen van de OPRO-argumenten wordt het Witteveen duidelijk dat zijn Basisplan het niet zal gaan halen en neemt hij, murw door de jarenlangen intensieve werkdruk en de oppositie van OPRO en medestanders, ontslag.

Hij zal 1944 opgevolgd worden door zijn assistent Ir. C. van Traa, Deze zal onmiddellijk aan de slag gaan om de plannen van Witteveen te herzien.

Zijn modernistische 'Basisplan Wederopbouw Rotterdam' zal op 28 mei 1946 door de gemeenteraad aangenomen worden.

Gemachtigde Wederopbouw Rotterdam, Dr. C.H. van der Leeuw kan aan de slag. Het werk van OPRO zit erop.

Tot 1970 zal het resultaat van al die OPRO-inspanningen, het 'Plan van Traa', stedenbouwkundig min of meer leidend blijven, dan komt er een omslag,

Er volgt een periode dat 'gezelligheid' een belangrijk uitgangspunt wordt en daarom oude wijken toch gehandhaafd dienen te blijven. Dit leidt tot een gigantische stadsvernieuwingsoperatie, die a) bedrijvigheid uit de wijken weghaald en b) in grote delen van de oude wijken de gedurende decennia opgebouwde sociale cohesie vernietigen zal.

OPRO vergadert met Algemeen Gevolmachtigde J.A. Ringers in het Van Nelle-directiekantoor

zittend 2e v.l. J.A. Ringers, uiterst rechts K.P. van der Mandele; staand uiterst links C.H. van der Leeuw


Lotte Stam-Beese

Heeft een grote rol gespeeld bij de uitwerking van het Basisplan Wederopbouw Rotterdam van C. van Traa

Geboren in het Reisicht bij Breslau in het voormalige Duitse Pruisen (tegenwoordig Rokitk bij Wroclaw in Polen) belichaamt Lotte Beese als geen ander van de in deze website vermelde personen de Centraal-/West-europese geschiedenis van de twintigste eeuw en de verwevenheid tussen de internationale Modernistische architectuurstromingen van die tijd.

Zij volgde een opleiding typiste/stenografe om haar reizen te kunnen financieren. Als twintigarige gaat ze een weef-opleiding volgen aan de Deutsche Werkstätte in Dresden. Daar ontmoet zij medestudenten met enthousiaste verhalen over het Bauhaus in Dessau. Vanaf 1926 gaat zij opleidingen volgen (het onderwijs in Dessau was mede daardoor baanbrekend: het was multidisciplinair) bij de docenten Josef Albers, Wissily Kandinski, Joost Schmidt en Gunta Stölzl.

Inmiddels was er een opleiding architectuur gestart en nam zij als een van de eerste vrouwen deel aan de cursussen van de Zwitser Hannes Mayer en Hannes Wittwer. Ondanks alle moderniteit bleven sommige zaken zoals ze waren: de veertien jaar oudere, getrouwde docent Mayer begon een affaire met haar en Lotte Beese moest toen dat bekend werd 'dus' (zonder haar opleiding te kunnen voltooien) de Bauhaus Academie verlaten... In het Bauhaus-archief bevinden zich een groot aantal foto's van de verdienstelijke amateur-fotografe, die achterbleven.

Na een tussenstop bij de Allgemeiner Deutscher Gewerkschaftsbund in Bernau - waarvoor Mayer een aantal gebouwen in de stijl van Neues Bauen ontwierp (klassieke voorbeelden van functionalistische utiliteitsbouw) - vertrok zij naar Brno in het toenmalige Tsjechoslowakije, waar Hannes Mayer een baan bij functionalistisch architect Bohuslav Fuchs voor haar geregeld had. In datzelfde Brno wordt op dat moment begonnen met de bouw van de modernistische Villa Tugendhat door architect Mies van der Rohe, de opvolger van Hannes Mayer bij het Bauhaus. Villa Tugendhat is tegenwoordig UNESCO-Werelderfgoed.

Het jaar daarop - het is inmiddels 1930 - vetrekt Beese in het kielzog van Hannes Mayer om onder de Nederlandse architect Mart Stam in Siberië te gaan ondersteunen, om functionalistische woningbouwprojecten in het toekomstig arbeidersparadijs te gaan helpen opbouwen. Eerder had de Nederlander Van Loghem de machthebbers daar al ondersteund bij de stedenbouwkundige ontwikkeling van industriële gebieden,

Inmiddels is Josef Stalin na de dood van Lenin de tweede leider geworden van de Soviet-Unie en ontwikkelt deze het arbeidersparadijs tot een medogenloze dictatuur, waar permanente repressie van de bevolking en hongersnoden als gevolg van com munistische waanideeën miljoenen doden eisen.

Daarom vertrekt 1934 zij met Stam naar Amsterdam, waar ze met hem zal trouwen, en start haar eigen architectenbureau. Gedurende de oorlogsjaren volgt ze de opleiding 'Voortgezet en Hoger Bouwkunstonderricht'. 1944 rondt ze onder Willem van Tijen haar opleiding met een diploma af. Zij is dan al een jaar van Mart Stam gescheiden, maar zal tot haar dood zijn naam bllijven dragen.

Met haar modernistische achtergrond en waarschijnlijk door de bemiddeling van Van Tijen, die bij OPRO en Wederopbouw van Rotterdam een belangrijke rol speelt, wordt zij 1946 door Van Traa bij de Dienst Stadsontwikkeling en Wederopbouw aangenomen om te ondersteunen bij de uitvoering van zijn Basisplan Wederopbouw Rotterdam

Zij zal met haar stedebouwkundige plannen voor Kleinpolder-Oost, Kleinpolder-West, Pendrecht, Hoogvliet-Westpunt, Alexanderpolder-Het Lage Land en Ommoord een belangrijk stempel drukken op de wederopbouw van Rotterdam. Pendrecht zal internationaal de aandacht trekken.

Daarnaast zal zij voor de nieuwe wijk Alexanderpolder als geheel samen met Jaap Bakema een ontwerp maken voor de architectenvereniging Opbouw en voor het CIAM.

 Na haar pensionering in 1968 gaat zij in Krimpen aan den IJssel wonen, waar zij 1988 overlijdt. 

Voor haar niet-aflatende inzet om, met als leidraad de uitgangspunten van het CIAM en de door de Groep Bos omschreven Wijkgedachte, te vertalen naar plezierige woningen en huizen binnen een groene, leefbare omgeving is zij zowel door de stad als door de staat onderscheiden.

Van het Rotterdamse Gemeentebestuur ontvangt zij de Wolfert van Borselenpenning en door het Konkrijk der Nederlanden ('het heeft Hare Majesteit behaagd u te benoemen, enz...') wordt ze benoemd tot ridder in de orde van Oranje-Nassau. 

Lotte Stam-Beese (1903-1988) - 1929 Bauhaus/Dessau


 

 

^
UA-70918004-1